Nu de zomervakantie met rasse schreden nadert, hebben we nog één gelegenheid om een etappe van het Grenslandpad onder de wandelschoenen te nemen. Volgens afspraak is dit woensdag 7 juni. Alleen Jan laat weten niet van de partij te kunnen zijn, omdat hij 2 dagen later voor een kleine oogoperatie opgenomen wordt in het ziekenhuis. Bij Bert blijft de taak roepen, voor hem is het nog steeds onmogelijk van de partij te zijn op een doordeweekse dag!! Het vervoer is per telefoon snel geregeld en zo zijn Lorenz, Peter en Jan-Willem nog voor de klok van 8.30 uur op de afgesproken plek: Herberg “In den Anker” aan de Rucphense Weg. Charles is er dan al. Voor hem een snelle rit vanuit Loon op Zand via de A58 en A16 naar Zundert. Charles heeft nog even tijd om in de vroege ochtendzon een paar foto’s te maken van Herberg “In den Anker” en landhuis De Moeren. De Astra laten we hier achter en met de bolide van Lorenz rijden we terug naar Zundert en dan door het Vlaamse Land langs Meer en Meerle naar Strijbeek, waar we de laatste keer bij Hoeve Gouwberg geëindigd zijn.

We vertrekken voor deze dagwandeling van het Grenslandpad bij Hoeve Gouwberg. Het traject voert ons vandaag door de Baronie van Breda. We wandelen langs het natuurgebied De Goudberg met ringven Patersmoer naar het Markdal. Via Galder en het bosgebied ten zuiden van de Galderse Meren komen we over de A16 en de HSL-lijn in het stroomgebied van de Aa of Weerijs. Vanuit Rijsbergen gaat het westwaarts naar het zuidelijk deel van natuurgebied Pannenhoef om langs de Cisterciënzerabdij Maria Toevlucht het eindpunt van deze etappe te bereiken bij landgoed De Moeren en Herberg “In den Anker” aan de Rucphense Weg.

Tegenover Hoeve Gouwberg nemen de Bergweg, een zandweg die ons direct naar het natuurreservaat van Staatsbosbeheer De Goudberg voert. De Goudberg is een 20 ha groot stuk heide ten oosten van Strijbeek. In het centrum ligt het fraai gelegen ringven Patersmoer met levend hoogveen en omsloten door een zogenaamde sikkelduin, begroeid met heide, eiken, berkenbos en vliegdennen, waarin de geologische formaties nog ongestoord zijn.Het eerste pad naar rechts door het klaphekje voert ons naar het ven, dat nog weinig heeft te lijden gehad van de negatieve beďnvloeding door de mens en het vormt hiermee "een parel aan de zuidkant van het heem". Sinds 1954 is de Goudberg een natuurreservaat, waarmee kon worden voorkomen dat dit uitzonderlijke natuurgebied tot cultuurgebied werd omgevormd. Uitsluitend het brede pad rondom het Patersmoer is voor het publiek toegankelijk. Op deze route zien we nog een witte reiger, die traag het luchtruim kiest als we te dicht in zijn buurt komen, We zijn hier in het stroomgebied van de Strijbeekse beek, die naar het zuiden toe de natuurlijke grens met onze Belgische zuiderburen vormt. We lopen tot aan de oever en volgen het pad langs de zuidkant van het ringven. Dit pad blijven we steeds volgen tot we weer uitkomen op de zandweg achter een klaphekje, de Bergweg. We lopen door tot de verharde weg, de Goudbergse weg, voorheen Oude Bredase Baan en op die verharde weg linksaf.

We komen voorbij een grote zwerfkei waarin een gedicht is gekapt dat de herinnering levendig houdt aan de ‘Slag bij Strijbeek’. Hier in het beekdal van de Strijbeekse Beek die in 1744 de zuidgrens vormt van het Gouw Strijen, vindt op 2 januari 1814, aan het eind van de Franse tijd, de ‘Slag bij Strijbeek’ plaats. Om Napoleon op de knieën te dwingen was er een geallieerdenleger op de been gebracht, dat bestond uit Zweden, Britten, Hessen, Würtenbergers, Saksen, Pruisen en Russische Kozakken. De voorhoede van dit ‘Armee du Nord’ werd gevormd door het IIIe Preusische Armeekorps. Vierhonderd Pruisische ruiters en Kozakken van dit korps raakten nabij Meerle slaags met tweehonderd leden van de cavalerie-eenheid Rode Lansiers, de Franse ‘Lanciers Rouges’ van de keizerlijke garde. De uiteindelijke slag speelde zich voornamelijk af in de weidegronden, de beemden, ter weerszijden van de Strijbeekseweg aan de Nederlandse kant van de beek. De waterstand was tweehonderd jaar geleden veel hoger dan nu en verschillende manschappen en paarden verdronken toen ze door het ijs zakten. In totaal sneuvelden hier dertien Pruisen. De Slag bij Strijbeek maakte onderdeel uit van een groot aantal slagen en schermutselingen tussen Breda en Antwerpen, voornamelijk op Belgisch grondgebied, waarbij in totaal bijna tweeduizend doden en gewonden vielen.

In het gehucht Strijbeek, dat bestaat uit slechts enkele huizen en een café, zijn we aanbeland. Het ligt aan de rand van de Strijbeekse Heide en aan de Belgische grens. Strijbeek ontleent zijn naam waarschijnlijk aan de nabijgelegen Strijbeekse Beek. Het is echter niet bekend hoe deze beek aan zijn naam is gekomen, maar de aanduiding "strij" dat "stromend water" of "strijd" betekent, behoort tot de mogelijkheden. De naam kan ook slaan op het woelig verleden. Strijbeek kende reeds duizenden jaren geleden een min of meer permanente bewoning. Dit bewijst de vondst van een urnenveldje, dat tijdens ontginningwerkzaamheden in 1937 werd blootgelegd. Het toont aan dat reeds in de 5e eeuw voor onze jaartelling mensen op dit hooggelegen terrein hebben gewoond. Maar ook de vondst in 1979 van een fragment van een prachtig bewerkte schaaf van tussen de 100.000 en 40.000 jaar oud. Het huidige Strijbeek is vermoedelijk in de 13e eeuw ontstaan door ontginning van bos op de hogere terreingedeelten langs de nabijgelegen Strijbeekse Beek. Als typische beekdalnederzetting werd het gesticht aan de Goudbergseweg, een onderdeel van een eeuwenoude heerbaan, welke uitkwam op de belangrijke verbindingsweg Hoogstraten Breda. Ondanks de gunstige ligging is Strijbeek echter nooit uitgegroeid tot een groot dorp, hoewel het aantal inwoners in vroeger eeuwen groter was dan tegenwoordig.

Bij voorrangsweg en ANWB-paddestoel P21158 rechtsaf over een fietspad. We lopen voorbij aan de St. Hubertuskapel, aan onze rechterhand. De historie van dit kapelletje gaat terug tot het jaar 1518 en is gebouwd voor de gelovigen die te ver van een parochiekerk woonden. De oude kapel was aanzienlijk groter, namelijk 22 meter lang en 15 meter hoog. Waarom in Strijbeek destijds zo'n omvangrijk godshuis werd gebouwd is waarschijnlijk te herleiden tot het toenmalige in vergelijking met omliggende dorpen grote aantal inwoners. De Heilige Hubertus, de eerste bisschop van Luik, is tot op heden de patroon van de jagers. Na de Vrede van Münster in 1648 diende de kapel nog als schuilkerk voor gelovigen uit Ginneken. Daarna stond het gebouwtje meer dan een eeuw leeg door de in beslagname van de Prins van Oranje. In 1788 kwam de kapel weer in katholieke handen, maar na een leegstand van meer dan een eeuw bleken de onderhoudskosten zo hoog geworden, dat in 1872 werd besloten de kapel af te breken. Van de oude stenen werd het huidige kapelletje opgebouwd, waarna het in 1979 nog eens is gerestaureerd. In datzelfde jaar werd op St. Hubertusdag, 3 november, het inmiddels uit de nis boven de ingang verdwenen Hubertusbeeld vervangen door een ander beeld.

Op de Strijbeekse Weg na 200 meter, tegenover café “Oud Strijbeek”, gaan we bij nr. 58 linksaf. Voorbij de laatste huizen met kassen komen we in het open gebied van de Markvallei. We bereiken de Markweg en bezoeken het St. Isidoruskapelletje dat hier in 2005 geplaatst is. Sint Isidorurs, gestorven in 1130, is de patroon van de landbouwers en geboortig in de omgeving van Madrid. In 1622 verklaarde Paus Gregorius XV hem heilig. Dit veldkapelletje is hier ter afronding van het project: Inrichting van het zuidelijk Markdal fase II gerealiseerd en ingezegend op 25 april 2005. Linksaf de Markbrug over. Direct na de brug bij ANWB-paddestoel P24547 rechtsaf, over het fietspad langs de Boven Mark. We zien hier voor het eerst een nieuwe routepaaltje van het wandelnetwerk SES West-Brabant. Stroomopwaarts staat Grenspaal 218.

Het riviertje de Mark behoort tot de categorie van de zogenaamde laaglandbeken. Hij ontspringt als beek bij het Belgische plaatsje Koekhoven en komt bij Strijbeek ons land binnen. In haar loop neemt zij zowel in België als in Nederland het water van talrijke beken op. Het riviertje leverde de oeverbewoners in het verleden veel vis, maakte scheepvaartverkeer mogelijk en liet diverse watermolens draaien, maar bezorgde hen ook veel wateroverlast. In tijden van zware regenval kwam al het aangrenzende land soms langdurig onder water te staan. Maar ook bij dreigend oorlogsgevaar liep het land ten zuiden van Breda onder water, nadat de grote militaire inundatiesluis van deze vesting was afgesloten. Bij de ontmanteling van de vesting Breda, na 1870, behoorde dit definitief tot het verleden. Eind jaren zestig van de vorige eeuw is de Mark gekanaliseerd. Dit gebeurde om wateroverlast te voorkomen. Ook de landbouw had er veel baat bij. Inmiddels is het Markdal natuurontwikkelingsgebied en sinds 2004 meandert de Mark weer. Er zijn bochten en steile oevers in de rivier gemaakt en nu schuurt en slingert de Mark zich weer door het schrale zand. Sinds het gebied in de oude staat is teruggebracht komen hier weer planten voor als dwergbiezen en blaartrekkende boterbloem. Langs de oevers nestelen ijsvogels en oeverzwaluwen. De Canadese gans en de wintertaling overwinteren in het gebied. Weilanden zijn omgevormd tot schraalgraslanden. Vele vissoorten voelen zich weer in het water thuis. In de weilanden zijn gescheiden wandel en fietspaden aangelegd. Door deze herinrichting van het Markdal zoekt het water van dit laaglandriviertje kronkelend een weg. Hierdoor krijgt het regenwater tijdens extreme buien meer ruimte.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Langs de Mark lopend gaan we na 1,7 km bij ANWB-paddestoel P24549 linksaf, het Vonderpad op. Aan het eind van deze weg, bij ANWB-paddestoel P24548 rechtsaf de Galderse Weg op tot aan café ’t Wapen van “Nieuw Ginneken”. Het is niet te missen dat het WK Voetbal over 2 dagen van start gaat. Alles is Oranje gekleurd. We zijn hier midden in het dorpje Galder, dat zijn oorsprong in de 10e eeuw vindt als beekdalnederzetting. De eerste vermelding van de plaatsnaam staat vermeld in een akte uit 1299, waarin Ghalre met zijn tienden werd toegewezen aan de Abdis van Thorn. Het oudste deel van de nederzetting ligt aan de noordzijde van het tegenwoordige dorp. Hier stonden een aantal grote boerderijen, waaronder "de oude Hoeve van Galder". Door de bouw van een kapel in de 2e helft van de 15e eeuw ontwikkelde Galder zich geleidelijk aan tot een kapelgehucht. Deze kapel is genoemd naar Sint Jacobus, een van de apostelen en vanouds de patroon van Galder. De inkomsten van de kapel bestonden o.a. uit offers in natura ter waarde van f 50,, zoals schapen, wol en eikels. Deze werden op St. Jacobusdag door de gelovigen naar de kapel gebracht. In 1824 werd de kapel ingrijpend verbouwd tot school voor ruim 100 kinderen en woning voor de schoolmeester. Aan een van de torenmuren is nog te zien dat de muren bij deze verbouwing werden verlaagd en dat tevens de nokhoogte is teruggebracht. De naaldspits en een stuk van de toren werden afgebroken. De toren werd voorzien van het thans nog bestaande lage tentdak. Pas in 1881 werd de kapel als school ongeschikt verklaard en werd in het jaar daarop een aparte openbare school gebouwd in de kom van Galder. In 1934 werd de kapel grondig gerestaureerd, maar de toren is niet tot zijn oorspronkelijke hoogte teruggebracht. Het agrarische Galder was in de 17e eeuw het meest volkrijk en welvarend. Uit een volkstelling in het jaar 1672 blijkt dat Galder toen 176 inwoners telde 212 koeien en 55 paarden. In de volgende twee eeuwen is het dorp bijna niet meer gegroeid.

Bij café 't Wapen van “Nieuw Ginneken” linksaf en voorbij sport en ontmoetingscentrum 'De Leeuwerik' bij huisnummers 10 en 12 rechtsaf lopen we een zandpad in. Hier is het even opletten, dat we de juiste weg kiezen. Op de T-splitsing rechtsaf. Een smal bospad in langs een afrastering. De Galdersche beek kruisen en vlak daarna linksaf langs een bord 'doodlopende weg'. We passeren twee metalen hekken, die we volgens de aanwijzingen keurig sluiten. Het pad volgt de bosrand en naar het zuiden houden we zicht op de Galdersche Beek. Aan het eind voor een weiland buigt de weg het bos in. Op splitsing links aanhouden. Een verder loop je weer langs de rand van het bos op de snelweg A16 af. Aan het eind van dit pad komen we uit op een asfaltweg, de Rijsbergsebaan. Hier rechtsaf en na 350 meter op splitsing bij de Galderse meren linksaf. Vervolgens steken we het viaduct van de snelweg A16 en de HSL over. Vanaf dit viaduct hebben we goed zicht op de twee belangrijke verbindingsschakels tussen Nederland en België. Als we de asfaltweg, de Nieuwe Ginnekensebaan, ongeveer 1,5 km volgen, komen we in de bocht met de Scholbergstraat bij ANWB-paddestoel P24550. Hier nemen we naar links de halfverharde weg, de Zandstraat.

De route door de Zandstraat voert ons langs een bosrand met daarin gelegen kapitale villa’s, die uitzicht hebben over de Breed Broeken op de drukke A16, waar een glasscherm het geluid van het voortrazende verkeer moet dempen. Of het veel helpt is de vraag. Na goed 2 kilometer komen we tussen akkers en weiland bij de Oude Trambaan. Eens was hier van 1898 tot 1934 een tramlijn tussen Nederland en België. In 1899 komt deze tramlijn Rijsbergen Meersel Dreef Hoogstraten tot stand. Het grensstation bevond zich in Hazeldonk. Direct na huisnummer 7 rechtsaf de fietspad volgen tot aan ANWB-paddestoel P21496 op het Kruispad. Opvallend is ook hier de nieuwe routemarkering van het wandelknooppuntennet van de SES West-Brabant. Rechtsaf volgen we de Overase Baan richting Breda om voorbij de Polderhoeve bij nr. 4 linksaf te slaan. Aan het einde van deze weg komen we opnieuw op het Kruispad en lopen richting de Aa of Weerijs. Na de Kruispadbrug lopen we Rijsbergen binnen en komen op het Kennedyplein, waar we op een van onze eerdere wandelingen: De Stuivezandroute, zijn gestart.

Hier op het Kennedyplein is het tijd voor de middagpauze. De Brasserie is een geweldig plekje. Wel even de koffie met likeurtje en slagroom binnen halen! Geen probleem om op het terras de lunchpaketten te verorberen. We zijn na de drie wandeluren wel toe aan een pauze. We vervolgen onze route naar het centrum van Rijsbergen door Hogestraat en ko0men in de St. Bavostraat. Rijsbergen is van oudsher een straatdorp, evenwijdig aan het riviertje de Aa of Weerijs. De naam Rijsbergen komt in het midden van de 13e eeuw al voor. Het is het tuinbouwgebied van vooral aardbeien in de Baronie van Breda. Overigens is het dorp zeer onduidelijk gebouwd. Langs een tweetal verbindingswegen lijkt de bebouwing min of meer spontaan te zijn samengeklonterd. Opmerkelijk is hierbij de situering van de St. Bavokerk aan de buitenkant van het dorp.

Naar links lopend zien we voor ons de St. Bavokerk. Deze St. Bavokerk is gebouwd in 1918 ter vervanging van de oude St. Bavokerk, die tegenover de huidige kerk stond. Het huidige kerkgebouw is groter en heeft een hogere toren met voorin vijf gebrandschilderde ramen uit 1924 met aartsengelen van de glazenier Lou Asperslagh (1893 1949). Die ramen hebben alles te maken met een stuk geschiedenis van de gesloopte kerk en Kardinaal Van Frankenberg, die sinds begin 1800 begraven lag in de oude kerk. De oude kerk is in 1918 rondom de stoffelijke resten van de monseigneur weggesloopt. Zijn resten zijn herbegraven in België en als tegenprestatie kwamen gebrandschilderde ramen in de nieuwe kerk. Ook vinden we er muurschilderingen van Dom J. van der Mey O.S.B.

De oude, nu verdwenen, St. Bavokerk werd in 1435 gebouwd. Deze kerk kwam tijdens de reformatie van 1648 tot 1796 in handen van de hervormden, maar raakte in verval. In 1777 begon de restauratie van de kerk. Er was niet veel meer over dan een ruďne. De zijbeuken van de oude kruiskerk gingen eraf. In 1796 werd hij weer in gebruik genomen door de katholieken. In 1810 is hij groter gemaakt en de toren hersteld. In 1837 is die toren nog een tijd als gevangenis gebruikt door militairen. Ondanks alle restauraties raakte de kerk toch weer in verval. In 1916 was die kerk versleten en is het besluit genomen om aan de overkant de nieuwe St. Bavokerk te bouwen. Die was in 1918 klaar. Daarna is meteen een begin gemaakt met de sloop van de oude kerk. De altaren van de gesloopte kerk waren erg waardevol, maar voor de sloop ging het indrukwekkende hoofdaltaar naar het Rijksmuseum in Amsterdam.

© L.A.W.V.VIA-VIA

Dit hoofdaltaar van eikenhout stamt uit het tweede kwart van de 17e eeuw. Het altaar lijkt van zwart en wit marmer te zijn, maar dat is een marmerimitatie in verf. Het altaar is vormgegeven als een klassiek tempeltje met zuilen en pilasters, voorzien van cannelures en een kapiteel. Maar het heeft wel een Barokke stijl: de zuilen zijn geslingerd en het fronton heeft S-vormige krullen. De decoratie van engelenkopjes is typisch voor de Barok. In het fronton zijn de vergulde letters 'D.O.M.' aangebracht: 'Deo Optimo Maximo', 'voor God, de opperste en de grootste'. Het geschilderde altaarstuk stelt de 'Kruisafneming' van Christus voor. Deze kruisafneming is van de Vlaamse schilder Casper de Crayer (1584 1669) in olieverf op doek geschilderd met een afmeting van 309 x 234 cm. Het hoort eigelijk niet bij het altaar, maar is wel uit dezelfde periode. Ook het antependium, het voorhangsel van rood fluweel onder de schildering, is in het museum toegevoegd. Het fluweel is versierd met kostbaar goudborduursel. Tussen wereldse zaken als vruchten, druivenranken en hoornen van overvloed prijkt de adelaar, het symbool van Christus. Het totale altaar meet ruim 5 meter in de hoogte en ruim 4 meter in de breedte.

In de St. Bavostraat slaan we na ruim 100 meter bij ANWB-paddestoel P20957 rechtsaf de Kerkakkerstraat in. Vrijwel direct daarna opnieuw rechtsaf door de Van Oosterhoutstraat. Via de Gommersstraat en dan de Laguitensebaan. Bij rotonde rechtdoor oversteken Gouwberg in tot bij de kruising met De Polder even naar links en direct weer rechtsaf over het gras naar klinkerweg toe. Even opletten dat we de juiste route vinden. Deze weg gaat met een bocht naar links en direct daarna lopen we rechtsaf tussen een heg door naar een zandpad toe. Aan het eind hiervan komen we uit bij de Hoefstraat. Even naar rechts en na ongeveer 250 meter linksaf de Heistraat in. We komen uit op de Pannenhoefse Baan. De markering leidt ons even naar rechts en voor een schuur met een bocht naar links. Zo komen we op de Nelleveldstraat, die we naar rechts aanhouden. De routemarkering volgt de verharding. Wij kiezen voor de aanduiding op de topografische kaart en laan bij huisnummer 12 linksaf, een onverhard pad tussen de weilanden door. Als we het pad aflopen komen we op een brede zandweg, de Smokstraat. Rechtsaf. Het zandpad komt uit op de verharding van de Zundertse Baan, die we in noordelijke richting volgen tot het kruispunt met de klinkerweg naar het Natuurgebied Pannenhoef. We nemen deze Pannenhoefse Baan met fietspad naar links tot net voor de parkeerplaats. Daar waar het bos begint linksaf.

Dit pad gaat met een bocht naar links, we passeren een voetgangerssluis en volgen de zuidelijke bosrand van Natuurgebied Pannenhoef. Een informatiebord bij Natuurgebied Pannenhoef, groot 530 hectare, maakte ons duidelijk dat het Noord-Brabants Landschap eigenaar is. Dit afwisselend landgoed bestaat uit 150 hectare naald en loofbos en 100 hectare heide en moerasterrein; voor het overige is het landbouwgrond. Zo liggen er 3 prachtig gelegen huizen: Arendsberg, De Hoef en Pannenhoef midden in het natuurgebied. Eeuwenlang bestond het gebied geheel uit heide met vennen. In het begin van de vijftiende eeuw werd er veen afgegraven. Er zijn nog restanten te vinden van de turfvaarten die destijds zijn aangelegd om het turfveen af te voeren.

Naar het zuidoosten hebben we gezeten op een bankje zicht op de Klein-Zundertsche Heide, een open heideontginningsgebied, dat aantrekkelijk is voor weidevogels. Na ruim 600 meter komen we op een driesprong en gaan naar rechts. Na het passeren van een slagboom voert ons de route linksaf, een brede zandweg met fietspad. We zijn hier op de Panhoefweg. Na ruim 600 meter in zuidwestelijke richting komen we op een kruising met een bospad en gaan naar rechts door een voetgangerssluis. Dit pad komt via enkele bochten uit bij een houten bruggetje over de Turfvaart. In 1618 wordt besloten om deze Turfvaart aan te leggen. Dit water is destijds een belangrijke ader geweest van waar uit het gebied is ontveend. De vaart zorgt voor ontwatering van het veenmoeras en voor transport van de turf naar Breda, Roosendaal, Etten of Oudenbosch. Op de terugweg voeren de turfschepen mest mee, waarmee delen van het verveende land tot landbouwgrond kunnen worden ontgonnen. Het meeste afgegraven land blijft echter woest en ledig. Het wordt gebruikt om bos aan te planten, vee te weiden of plaggen te steken.

Nog steeds gaan we rechtdoor via een kronkelpad het bos in om even verderop opnieuw over een houten bruggetje te gaan, nu is het de Bijloop die we oversteken. Ook die maakt deel uit van het ontwateren van het veenmoeras. Bij de hoek van een weiland linksaf, een graspad. Na een slagboom op een Tsplitsing linksaf. We komen uit op een verharde weg, de Sprundelse Baan. Goed 200 meter naar rechts en de eerste klinkerweg linksaf, de Hazenmerenstraat. Op T-kruising bij boerenhoeve Riggen volgen we het zandpad naar rechts, die met een bocht naar links gaat. We lopen nu langs het Sterrenbos. Het ligt pal naast het Cisterciënzerabdij Maria Toevlucht en heeft de vorm van een wiel met spaken. Het werd even na 1900 door de monniken aangelegd met het idee hier een productiebos te laten groeien. Voor deze vorm is gekozen, omdat zo om en om een taartpunt gekapt kan worden voor de verkoop van het hout. In het midden staat een kapelletje met een Mariabeeld. Het bos is nog in gebruik als wandelbos voor de monniken. Dit zandpad buigt voor het hek naar het klooster linksom. Bij de bosrand van de Veldekensberg maakt het zandpad een bocht naar rechts om langs het bos met een flauwe bocht op een viersprong uit te komen. Op dit stukje van de route hebben we naar het westen zicht op het Cisterciënzerabdij Maria Toevlucht.

© L.A.W.V.VIA-VIA

De aanzet tot stichting van deze Abdij is een schenking in 1897 van de Zundertse Anna Catharina van Dongen van een stuk grond aan de abt van Koningshoeven in Berkel-Enschot. Die besluit op dit perceel een klooster te stichten, dat als toevluchtsoord voor Franse monniken de naam 'Maria Toevlucht' krijgt. In 1899 vertrekken uit BerkelEnschot drie monniken naar Zundert. De pachtboer van het boerderijtje 'De Kieviet', Bart Nouws, zorgt voor tijdelijk onderdak. Allengs komen er vanuit Koningshoeven meer monniken naar Zundert en wordt begonnen met de bouw van het eerste klooster, het gebouw dat nu gastenkwartier is. Op Hemelvaartsdag, 24 mei 1900, wijdt de abt van Koningshoeven de Abdij Maria Toevlucht in. Twaalf monniken, onder leiding van pater Nivardus Muis, telt het klooster dan. Door financiële problemen van de Abdij Koningshoeven moeten de monniken van Maria Toevlucht in 1909 tijdelijk onderdak zoeken in Westmalle. Dankzij een grote som geld van Maria Ullens de Schooten kan de Abdij Maria Toevlucht gered worden en keren de monniken terug naar hun abdij.

Na terugkomst beginnen de monniken met bouwwerkzaamheden. Achter het klooster verrijzen de werkplaatsen: bakkerij, wasserij en smederij. Er wordt een grote opslagschuur gebouwd. Uit de schenking van Maria Ullens de Schooten wordt de kerk gebouwd, eerst alleen het schip en de kapittelvleugel van het klooster. Door een extra schenking van Maria Ullens de Schooten wordt de apsis en het altaargedeelte van de kerk gebouwd. Op 14 september 1938 werd de priorij van Zundert tot abdij verheven. In dat jaar wordt pater Nivardus Muis tot eerste abt van de Cisterciënzerabdij Maria Toevlucht gekozen. Modernisering van klooster en liturgie vindt plaats vanaf de jaren 60 en nu heeft ook zenmeditatie in de abdij een plaats gekregen. De laatste grondige renovatie van gastenhuis, poortgebouw en de bestaande gebouwen is in 2005 afgerond, waarna de monniken in alle rust zich weer ten volle kunnen toewijden aan gebed en stilte.

Op de viersprong gaan we linksaf langs een houten slagboom een bospad in. Verderop steken we opnieuw de Bijloop over en lopen het Landgoed De Moeren, groot 70 hectare, binnen. Het landgoed dat in de zeventiende eeuw is aangelegd als hoogveenontginning, bestaat overwegend uit naaldbos met daartussen akkers, weilanden, hakhout en twee vennetjes. Het gebied heeft een besloten karakter door de hoge en oude bomenrijen die de landbouwgronden omzomen. Het merendeel van deze gronden, bloemrijke graslanden en graanvelden, is in beheer bij Natuurmonumenten. In het afwisselende landschap komt onder meer de wielewaal voor. Op de kruising rechtsaf een beukenlaan in. Het is echter de moeite waard even op deze kruising naar links te lopen en het op een heuveltje gelegen theehuis te bezoeken. We lopen de beukenlaan uit tot aan de verharde weg, de Rucphense Weg. We staan hier tegenover Landhuis De Moeren, rond 1800 gebouwd voor de familie Van der Hoeven. Zij zijn protestants en dus lid van de kerk van vader Van Gogh uit Zundert, die hier zeker meermalen moet zijn geweest. Naast het Iandhuis ligt het oudste café van Noord-Brabant, de Herberg " In den Anker" uit 1635, het eindpunt van deze wandeletappe. Je valt hier letterlijk met de deur in huis. Het oude interieur met grote schouw en potkachel doen vroegere tijden herleven, want enkel de 3 op een muuranker aan de buitenzijde vertelde ons iets over het bouwjaar van dit etablissement.

Was het terras deze morgen nog uitgestorven, nu is het zoeken naar een plekje. Het goede weer heeft immers veel pensionados naar buiten getrokken om veelal op de fiets het Brabantse land te doorkruisen. Op het terras is zelfbediening, dus gaan JanWillem en Lorenz naar binnen om een biertje te halen en een kijkje nemen. Binnen aan de oude toog doen ze hun bestelling. Hier geen tap maar bier uit de ijskast! Onder het genot van een wit biertje laten we de wandeling van vandaag nog even de revue passeren. Nog rest ons de terugrit naar Strijbeek om erbij Hoeve Gouwberg de auto van Lorenz op te halen. Hier nemen we afscheid, wensen elkaar een fijne vakantie en spreken af in september de draad weer op te nemen. We will meet again!!

Charles Aerssens
14 juni 2006



Lange Afstand Wandelvereniging "VIA-VIA".

Gegenereerd op 14-06-2006 door C.P.J. Aerssens